AMSTERDAM

27 april 2019

Wat is de zin van het zijn?

Een paar jaar geleden waren we er ook al eens geweest. Een hotel met een voorgevel van alleen maar glas. Met een uitzicht recht op de binnenstad. Een eindeloze film aan het voeteneind van je bed. Gekrioel van mensen in blik, of de fiets of lopend. Net mieren. Een niet te volgen massa. Ieder met zijn eigen bestemming. Ieder met een reden om daar op dat moment te zijn.

Het was toen uitstekend bevallen en daarom hebben we nu hier weer geboekt.

De gigantische ondergrondse parkeergarage is bomvol. “Gaan jullie net weg?”, vraagt een zoekende dame. Na ons ‘nee’ volgt: “Wat een gedoe he?”

“Gelukkig rijden wij elektrisch”, wrijf ik er – totaal zinloos – in. Ik parkeer mijn auto op een van de vele nog beschikbare oplaadplaatsen. Kijk, alleen daarom zou je al elektrisch rijden.

Na zo’n veertig meter lopen en twee trappen op staan we in de lobby van ons hotel. Zelfvoldaan deel ik met mijn lief de voorspoedigheid van onze reis. Tot we bij de receptie aan bod zijn en te horen krijgen dat we in het verkeerde hotel staan. ‘Gdvrddegdvr’. De jongeman hoort mij professioneel vriendelijk aan. Hij ontraadselt dat er twee Hiltons met dezelfde naam zijn. Dat we gewoon met het pontje over moeten. Eenmaal buiten moeten we er wel om lachen. Wie verzint dat nou. Twee hotels met dezelfde naam in één stad?

In het goede hotel is de ontvangst even vriendelijk. We krijgen ook dezelfde warme pindakoek met chocolade als in het destijds goede Hilton. En ook nu een mooie kamer met aan het voeteinde een mooi uitzicht. Nu over het IJ.

We dolen rond in de oude scheepsbouwloods die nu ruimte biedt aan talloze ateliers en hokjes voor startups. “Hier krijgen nieuwe ideeën alle ruimte”, denk ik. Het maakt mij vrolijk. Ik vind het leuk om in een omgeving te zijn waar jonge mensen alles zien zitten. Overal om ons heen liggen probeersels en onafgemaakte objecten. Wie weet wat hiervan later duur in een kunstcollectie wordt gekocht.

Het gratis pontje brengt ons even later terug naar het centrum. Het is zonovergoten en lekker warm. We zitten in het mierengekrioel uit de film van ons vorige hotel. We wurmen ons naar de plek waar het maar twee minuten per jaar stil is. Zittend op een overvol terras stillen we onze trek met een schaaltje overzoute nachos. Dorstige toeristen spenderen meer zullen ze hier wel gedacht moeten hebben.

Een viertal agenten op mountainbikes staat gezellig niks te doen. Statisch observeren heet dat. Vanachter een icetea green en een colaatje observeren wij statisch het gedoe op de Dam. “Hier komen in één seconde meer mensen dan tien jaar in de polder”, zo merk ik totaal nutteloos op. Een autist zou hier knettergek van worden. Ieder mens is uniek, elk met zijn eigen verhaal, zijn eigen leven. En tegelijk verworden individuen hier tot de mieren in een mierenhoop. Alleen de stroom bewegende stipjes is nog zichtbaar. Alles wordt afgepeld tot abstracte principes. Wat blijft er over van de mens in de mierenstroom. We maken van eten poep, van drinken maken we plas en van spullen maken we rotzooi. Los daarvan branden we de wereld op om het warm te hebben en ons van hot naar her te haasten. En dan schuiven we ook nog geld en goed heen en weer.

“Wat is de zin van het zijn?”, zo vraag ik mij dit alles overdenkend af. Wat is nu eigenlijk de meerwaarde van ons bestaan. Mijn lief wekt mij uit mijn filosofische nachtmerrie. Ze zegt dat de agenten vertrokken zijn. Om iets dynamischer te gaan doen, denk ik. Geïnspireerd door de sterke arm gaan ook wij weg.

We lopen langs kamertjes met een voorgevel van glas. Aan het voeteinde van dat bed vertoont zich een film van glurende mieren. Professioneel vriendelijke dames met volumineuze rondingen wenken. Ik loop door als een anonieme mier. “Flinke boobies”, hoor ik m’n lief achter mij zeggen. Inmiddels regent het.

We verzeilen in Café Emmelot. Mijn gedachten gingen uit naar de gelijknamige Joop op Terschelling. Zou die nog in leven zijn? Het was in de jaren negentig. Eidereenden verjagen van de mosselpercelen. De arme Joop moest alles repareren wat wij kapot maakten. Wel verschrikkelijk veel lol gehad samen. Althans zo is de herinnering. Het onleuke gedoe is vergeten. Of dat allemaal zin heeft gehad? Geen idee.

Bij Emmelot draaien ze muziek van jaren terug. De barvrouw zingt zo nu en dan mee. Ik denk aan Joop en de verstreken jaren. Aan het onleuke gedoe en aan domme dingen. De handen achter de bar jongleren met flessen en glazen. Dom of niet, het heeft mij gebracht waar ik nu ben. Ik schrik op van glasgerinkel. Zelf in een geoliede horecamachine gaat het wel eens mis. We betalen. Cash. Pinnen doe je maar bij de buurvrouw…

Na een nachtje slapen in Noord gaan we naar de Hortus. In een deel van de tuin staan inheemse plantjes. Later zie ik thuis er enkele van terug in de berm. Een stukje polder in het stenen centrum aan de Amstel. Vroeger was er voor elke kwaal wel een plantje in de buurt. Nu hebben we chemische pillen die het drinkwater vervuilen. Gelukkig dat deze kennis nog bewaard is.

We dwalen nog wat rond en eindigen op een terrasje aan de Singel om een tosti te eten. Bij het afrekenen – pinnen mag hier wel – hoor ik naderend lawaai. Voorop loopt een politieagent. Dynamisch observeren? Achter een straatbreed doek met ‘STUDENTS for CLIMATE’ lopen tientallen jonge mensen. Ze scanderen een onverstaanbare leus. ‘NIETS DOEN DA’S PAS DUUR’ roept een stuk karton. Het logo van Shell is afgebeeld als een doodshoofd. Het overdadige verspillen van mijn generatie wordt hier symbolisch ten grave gedragen. Ik sta op en klap.

Zij zullen het moeten doen. Hoe moeilijk het ook is. Deze generatie, die in de loodsen van een oude werf een nieuw bestaan opbouwt, ziet alles zitten. Met nieuwe illusies, niet gehinderd door oude ervaring. Tot ook zij zich na veel doen en gedoe af zullen gaan vragen wat de zin is van hun zijn. Na gaan denken over het gedoe en de domme dingen die ze hebben begaan. Misschien ook wel in een donker cafeetje in een of andere hoerenbuurt.

We vervolgen het dwalen en raken de drukte beu. Met het ontstekkeren van onze rijdende batterij besluiten we ons uitje. Over een verregende snelweg kruipen we terug naar huis. Naar de stilte in de polder. Weg van het drukke Amsterdam.

 

Terug naar overzicht