Boom

28 mei 2017

De dag na de hemelvaart werd ik weer met hoofdpijn wakker. Dit keer was het wel een aanwijsbare oorzaak. Het was gezellig geweest. Er was bier in een bekken met ijs en er waren hamburgers van de bbq. Wat wil een mens nog meer? In elk geval voor deze mens is dat meer dan genoeg. Oh, ja, er was ook nog een enthousiaste diskjockey en ik vermoed daardoor iets minder enthousiaste buren. Maar er zijn daar niet zoveel buren en op dat moment zat volgens mij niemand daar echt mee. Man, wat was het gezellig. Een beetje zo’n sfeertje als op een terrasje tijdens het mosselfeest.

De dag na de hemelvaart had ik een aantal klusjes. Boven op een steiger lerend van de tuinman dode blaadjes uit de verticale tuin – van sommige lezers mag ik geen ‘green wall’ zeggen – weg te halen. Ook om ervoor te zorgen dat het water uit het bevloeiingsmechaniek niet over de blaadjes heen stroomt en op de grond spettert.

De tuinman – of beter de eigenlijk man van de tuinen, de horizontale en de verticale – had verzonnen dat er in de horizontale tuin eigenlijk een boom weg moest. Het was een boom die hier van origine niet thuishoort. Sommige mensen denken net zo over andere mensen als de tuinman over bomen, maar dat even terzijde.

Ik had maar verzonnen om alvast wat takken af te zagen voordat hij moet gaan vallen. Het is een soort van mega-conifeer met heel veel zijtakken. Met een nieuwe vlijmscherpe boomzaag klom ik naar boven. Eerst op een ladder en toen die te kort bleek via de afgezaagde takken naar boven. Hoog boven mij zag ik een nest. Om een pril leven mogelijk  niet aborteren, stopte ik met mijn actie. Maar goed ook, want bij het naar beneden kijken voelde ik niet alleen mijn hoofd maar ook mijn maag enigszins tegenstribbelen. Al die tijd was ik bezig geweest met naar boven klimmen en takken zagen. Onder mij werd een kale stam steeds langer. Ik dacht aan katten die wel naar boven, maar niet meer naar beneden durven. De brandweer moet er vervolgens aan te pas komen om ze te redden. En dat met het idee dat katten veel beter kunnen klimmen – en als ze vallen altijd op vier poten terecht komen – dan ik dat kan.

Voor mij geen brandweer, dacht ik gemixt dapper en bang. Het zou niet meevallen om ze te bellen. Mijn telefoon lag op het aanrecht en ik zat boven met alleen een boomzaag. Mijn vrouw was er ook niet. Zij liep met de honden. En als ze met de honden loopt, is ze altijd heel lang weg.

“Wie ben ik en wat doe ik hier”, dacht ik. Dezelfde gedachte als bij het katterig opstaan overigens. Niet in de zin van ‘waartoe zijn wij hier op aarde’, maar eerder in de zin van wat ik vredesnaam met een kater in een niet langer gewenste boom doe.

Ik moest denken aan de vrijdagochtenden – toevallig ook vrijdag – na de eerste avond bier drinken van de mosselfeesten. Traditioneel hét moment om de vlaggetjes in de mast te hangen voor het pavoiseren van de mosselkotter. Althans voor mij hét moment. Anderen doen dat voordat ze ‘de wal aangaan’. Vastklemmen met je benen om beide handen te benutten om vlaggetjes te knopen op zo’n tien meter boven een stalen dek. Kijk, dat zijn de momenten om je af te vragen wie je bent en wat je daar doet. Zeker met een ‘tummerman’ zoals de Noren dat zo toepasselijk verwoorden.

Na enige moment van dit soort diepzinnige gedachten en genoten te hebben van het fraaie vergezicht in de polder daalde ik voetje voor voetje en handje voor handje langs de afgezaagde stompjes naar beneden. Eenmaal op de driedelige maximaal uitgerekte aluminium schuifladder ging het fluitend naar beneden. Op de grond keek ik tevreden naar de hoop met takken en groen. Ik sloeg in mijn handen die spontaan aan elkaar kleefden van het hars. Na een paar uur was al het afgezaagde groen in de achterliggende bosschages verdwenen. Geamputeerd om langzaam weer opgenomen te worden in de aarde.

Even later zat ik tevreden aan de koffie. Takken weg en een avontuur erbij. Ik nam een hap van een stroopwafel. Stroop. Zoals het hars in de boom opgesloten zit, zo zit de stroop in de koek. Als de pindakaas tussen de boterhammen. Als het leven ingeklemd tussen hemel en aarde. De boom die hemel en aarde verbindt en energie heen en weer laat stromen. De stroop die de koek bij elkaar houdt.

De boom die alleen kan zijn waar die staat, maakt zuurstof voor de mens die van hot naar her vliegt. Vaak om ’s avonds weer terug te komen waar die ’s ochtends ook al was. De mens die consumeert. De boom die produceert. De mens die vervuilt. De boom die opruimt.

Als dank worden zijn takken afgezaagd, wordt hij vermalen om met de restanten van de katoenplant in plee-papier te worden gestopt om mijn billen te ontdoen van poepresten. Ik vraag mij af of de boom zich ook wel eens afvraagt wie hij is en wat hij hier doet.

Arme boom.

 

 

Terug naar overzicht