Boutade

7 januari 2017

“Hou je die kleren aan?”, vroeg ze. “Moet ik dan in pak? Ik heb een hekel aan een pak”, reageerde ik. Na de mededeling dat het eigenlijk zo ook wel kon, stapten we in de auto. De middagzon stond al laag. De kerktoren wierp een lange schaduw over het havenplateau. Na enkele vragen over mijn mosselverleden moest ik van de cameravrouw een paar loopjes doen en dromerig voor me uit kijken.

Daarna was het snel in de auto om in een wedstrijd met de zakkende zon mijn mooiste plekje te bezoeken – dat ik overigens niet heb – om daarna in mijn werkkamer nog wat vragen te beantwoorden. “Wat zou je de nieuwe bewoners mee willen geven”, vroeg de ex-radioman die weer even zijn oude rol mocht spelen.

Eerlijk gezegd weet ik mijn eigen antwoord niet meer. Ik denk dat ik zei: “niks”, omdat nieuwe bewoners drommels goed weten waarom ze op Schouwen-Duiveland willen wonen. En ik zal wel iets van ‘permanentiseren van romantische vakanties’ hebben gezegd. Van stadse hardwerkende mensen die oud willen worden in een land van mest en mist, van vuilen, kouden regen. Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp…

De ondergaande zon was inmiddels in de schoot van Noord-Beveland verdwenen. De dag werd nacht, maar we hadden ons wedstrijdje gewonnen. Terug naar huis. Nu alleen nog maar afwachten wat ze ervan zullen maken.

Gisteren dronken we met de molenvrienden op het nieuwe jaar. Na een glas Schotse destillaat klonk de zware basstem.

…Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,

Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!..

Ik kreeg te doen met onze nieuwkomers met hun vakantie-illusies. Ik voelde de natte kou in mijn botten en vulde de glazen. De basstem ging onverstoorbaar verder.

…O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,

Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoon,

Van eenden, groot en klein, in allerlei fatsoenen,

Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!..

De dichter van deze boutade, Petrus Augustus de Génestet, stierf in 1861 op 32-jarige leeftijd aan een keelziekte – waarschijnlijk tbc – nadat hij twee jaar eerder zijn vrouw en kind aan dezelfde ziekte waren gestorven.

…Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen

Tot modder; ‘k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vree.

Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,

Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee…

De glazen waren inmiddels leeg. Het hoogtepunt ‘Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee’ liet een stilte na. Net zoals iedere keer wanneer dit gedicht in onze ruim twintigjarige vriendschap door dezelfde stem wordt voorgedragen. Het is donker als ik naar huis ga. Mijn muts en wanten laat ik onbedoeld achter. De warmte van onze vriendschap – en wellicht ook van de whisky – maken dat ik ze vergeet op het erf van mutsen, wanten en overschoenen.

In het donker fiets ik over ondoorwaadbre wegen. In dit kliemerig klimaat draag je geen pak maar een Jack Wolfskin. Een beetje dromerig kijk ik door de nacht. Met het verstrijken van de kilometers verstrijkt ook de warmte. Mijn handen en oren zijn koud en ik mis mijn muts en wanten. Het dromerig kijken maakt plaats voor een nuchtere blik.

Eenmaal thuisgekomen brandt de kachel en staat het eten op tafel. Eigenlijk is thuis je mooiste plekje. En de mooiste plek voor het voordragen van deze botverkleumende boutade.

Terug naar overzicht