Buddy 2

2 juni 2018

Buddy ligt uitgeteld tussen zijn vier poten op de koude tegels. Platter kan een hond niet liggen. Hij is net terug van puppycursus. Eigenlijk van baasjescursus. Leren omgaan met onze mini-hond. Buddy, kom voor; Buddy, zit; brave Buddy. Eerst een klik en dan een snoepje. Heel consequent en veel geduld. Heel wat jaartjes geleden zaten we in een vergelijkbare situatie. Tijdens de opvoeding van onze jonge kinderen. Met de komst van onze kleine vriend lijkt het wel alsof we aan onze tweede leg zijn begonnen.
Ik betrap mezelf erop dat ik, net als toen, aangepast ga praten. Met een diepe bromstem als er opgetreden moet worden. En dat moet nogal eens. We noemen dat het donderuurtje. Bijten in je handen en als je vervolgens reageert, zijn je tenen aan de beurt. Het kleine dondersteentje heeft heel goed in de gaten hoe ver de arm van zijn opvoeder reikt. Als we het echt beu raken, stoppen we hem in zijn getraliede stalen hok. “Naar je kamer, en wel nu!”, zo klonk dat vroeger wel eens. Gelukkig kwam dat niet zo vaak voor, net als de gang naar het stalen kamertje van onze jonge huisvriend ook niet zo vaak voorkomt.
Buddy’s vrouwtje is inmiddels bezig om de soep op te warmen. “Buddy eten?”, vraagt ze met een hoog stemmetje. Ook het vrouwtje speelt haar opvoedende rol als vanouds. Het zwarte vloerkleedje komt tot leven. Het kopje kijkt op en lijkt te zeggen dat hij wel wil eten. Gapend en zich uitstrekkend is het wel een meter hond. Ons kindje laaft zich aan de ruim 170 gram brokjes die afgewogen in zijn blinkende etensbak zijn gedeponeerd. Met zijn bak tussen zijn voorpoten verorbert hij liggend in een mum van tijd zijn geserveerde lunch.
In de tussentijd eten we de soep en praten we over de cursus. Een soort van dokter-Spock-mevrouw leert de twee-voeters hoe de vier-voeters op te voeden. En net als bij de echte dokter Spock gaat het niet om het aanleren van louter discipline, maar ook om elkaar beter te leren kennen. Net als bij mijn eigen kinderen vraag ik mij ook hier af wie nou wie opvoedt.
Het schijnt dat de beroemd geworden schrijver van Baby and Child met zijn ‘losse’ aanpak het verwijt gekregen heeft dat een hele generatie zich weinig meer aantrok van het ouderlijk gezag. Van geen enkel gezag eigenlijk. De jongeren uit de jaren zestig deden alles wat een generatie daarvoor nog onvoorstelbaar was. Zelf was ik te jong om een jaren-zestig-jongere te zijn. Op de kleuterschool schilderde ik een wit ontbijtbord met de Apollo 11 die de eerste mens op de maan zou zetten. Op zondagmiddag wandelden we over de dijk en kwamen de langharige liefhebbers van de Doors en Joplin tegen. “De nozems”, zei mijn vader dan. Dat was eind jaren ’60.
Tussen de lepels soep en happen brood lees ik de bijlage van de krant. Het gaat over een man en zijn tweede leg. Zijn vrouw ingeruild voor een veel jonger exemplaar. Het nieuwe exemplaar wilde een baby en hij had er waarschijnlijk geen probleem mee om dat te helpen maken. Nu zit hij in de stront en moet luiers verschonen. Dochter moet over een jaar of wat uitleggen dat dit niet opa is die haar op school brengt.
Na de soep en het brood gaat mijn vrouw boodschappen halen. “Laat jij Buddy even uit?” Zonder mijn antwoord af te wachten, stopt ze het zakje met brokken en klikker in mijn hand. “Zij heeft een hekel aan honden die altijd voor de mensen uitlopen”, zegt ze. Ze doelt waarschijnlijk op mevrouw Spock van de cursus.
Ik loop langs de weg met een brokje in mijn hand. Nee, deze hond gaat niet voor mij uitlopen. Althans niet vanmiddag. Bij het passeren van een voorbijrijdende auto wil hij daar normaliter achteraan. Maar deze keer niet. Brokje in de hand. “Buddy zit”. Klik en hap. Alle aandacht naar de baas.
Acht snoepjes lichter kom ik tevreden thuis. Geen vooruitlopende hond deze keer. Buddy lijkt het allemaal niet te boeien. Het vloerkleedje drapeert zich weer op de koude tegels. Even rust tot het volgende donderuurtje. Ik lees verder over de man die het nog eens dunnetjes wilde overdoen. Hij heeft er spijt van. Ben blij dat hij het is en niet ik. Een van de nozems die ik vroeger op de dijk tegenkwam, heeft daar een toepasselijke levenswijsheid voor. “Un hoap mih hedonder voo un bitje joekte”.
De achterdeur gaat open en mijn vrouw komt binnen met de boodschappen. In het vloerkleedje worden even twee bruine kraaloogjes zichtbaar. Alles wordt goed bevonden en de oogjes gaan weer dicht. Nog even en we kunnen weer aan de koffie. Huisje, boompje, beestje in de polder. Heerlijk saai en rustig, met als enig ‘hedonder’ in het vooruitzicht, het welkome geklier van Buddy.

Terug naar overzicht