Fout

6 mei 2018

Na twee dagen herdenken en vieren gaan we in een zonovergoten zondag de zomer tegemoet. Uit de autoradio kwamen vanmorgen de fileberichten richting strand. De eerste dit jaar. De meeste mensen zijn de twee minuten stil zijn alweer vergeten. Vrijheid is vooral om van te genieten en minder om bij stil te staan.

Dit jaar is er aandacht gevraagd voor de vraag waarom we moeten herdenken. Toen ik klein was, waren de twee minuten stilte als een moment waarop aan de doden werd gedacht. De ouders van mijn generatie herdachten dierbaren die de Tweede Wereldoorlog niet hadden overleefd. Deze doden hadden een gezicht en een naam. Zij waren gekend door hen die de oorlog wel hadden overleefd. Ze waren tijdgenoten en hadden elkaar gesproken en in de ogen gekeken. Zij waren ooggetuigen.

De ouders van mijn generatie hebben de vraag niet gesteld waarom zij moesten herdenken. Zij hebben die vraag pas beantwoord toen hun kinderen gingen vragen. Ik ken de mensen niet die twintig jaar voordat ik geboren ben dood zijn gegaan. Waarom moet je dan stil zijn op 4 mei? Natuurlijk wist ik wel wat de Tweede Wereldoorlog was. Voornamelijk uit boeken en van spannende films. En van mijn moeder die over tulpenbollenkoekjes vertelde. Mijn vader die tien jaar ouder was, vertelde niks. Ja, dat hij probeerde om het voer voor de kippen te jatten toen hij in Duitsland zat. We hadden ook kippen dus dat sprak tot de verbeelding. Alles wat wij niet op konden, ging naar de kippen. Je moest dan wel serieus honger hebben om dat te doen. Maar wij hadden nooit honger. Wij hadden de oorlog immers niet meegemaakt. En daarom moest ik herdenken, zo maakte ik mezelf later wijs.

Herdenken ging toen nog niet zo over goed en kwaad. Toen kon ik nog niet weten dat iedereen die wint goed is en iedereen die verliest kwaad. Amerikanen goed, Duitsers fout. Engelsen goed, Jappen fout. Er moesten een aantal generaties overheen voordat de nuance kwam. Onderzoekers durfden langzaam maar zeker kritisch naar ons eigen verleden te kijken. Zoals nu het zwartepieten naar ons slavenhandelverleden, zo kijken ze ook naar de rol van ons koningshuis. Ongelofelijk wat in een paar generaties kan veranderen. Prins Bernhard was in mijn jeugd een held en Wilhelmina een soort van moeder Theresa des vaderlands. Dat jeugdbeeld is de laatste jaren door allerlei verhalen en onderzoek wel een beetje van zijn glans ontdaan.

Dit jaar was ik bijzonder geraakt door het bericht dat de hoogbejaarde Wim Aloserij was overleden. Niet zozeer voor de man zelf, maar wat hij mij toonde. Hij stierf een dag voordat hij in de Nieuwe Kerk zou spreken tijdens de nationale herdenking. De schrijver van zijn levensverhaal sprak namens hem. Een getuigenis was een verhaal geworden. Een navertelde herinnering werd een opgeschreven herinnering. Het oogcontact met het verleden was definitief doorgeknipt. Dat raakte mij.

Ik moest denken aan mijn inmiddels overleden ouders die als kind en jongvolwassene de oorlog hebben meegemaakt. Ook zij waren ooggetuigen. Hun ogen hadden het gezien. Ik heb in hun ogen kunnen kijken toen zij hun spaarzame verhalen vertelden. De blikken van ooggetuigen zijn voor het overbrengen van het verhaal wel net zo belangrijk als de woorden die uit hun monden komen. Daarom was het zo van belang dat de oude overlevende van drie concentratiekampen en een scheepsramp in de Nieuwe Kerk zijn verhaal zou vertellen. Maar die tijd is hem niet gegeven.

In de loop der generaties is het herdenken op 4 mei abstracter en breder geworden. Het gaat over waarden als vrijheid en de mensen die daarvoor ook na de Tweede Wereldoorlog hebben gestreden. Waar en wanneer dan ook. Het gaat niet lager over de doden uit 40-45. Het gaat onder meer ook over de Hollandse jongens die naar Indië moesten. Gravende geschiedschrijvers hebben ontdekt dat zij fout waren.

Thuis heb ik nog een aandenken van mijn vader. Vier langwerpige koperen plaatjes onder een geëmailleerd kruis. 1946.1947.1948.1949. Eén plaatje voor ieder jaar dienstplicht in de Oost. Schaarse verhalen over een half jaar lang cornedbeef uit blik eten. Moest mijn moeder maar beter niet op tafel zetten. En na dat half jaar een half jaar haring in tomatensaus. Soms schoten ze een wild zwijn dat ze lieten slachten en bereiden door een locale kok. Geschiedenisonderzoekers zullen wel gaan ontdekken dat dit een varken uit de veestapel van een plaatselijke boer was. Zijn veestapel zal wel uit dat ene varken hebben bestaan. Mijn vader was – zo wil de nieuwe generatie mij nu laten geloven – kennelijk fout. Maar hoe kan een Hollandse jongen die uit een Duits kippenhok op een boot naar Indië gezet wordt nu goed of fout zijn?!

Op 4 mei heb ik niet specifiek aan jou gedacht. Eigenlijk nog nooit op 4 mei. Nu ik deze column schrijf, doe ik dat wel. Ik had dus wel aan je moeten denken. Je was uitgezonden. Voor wat ze nu een ‘vredesmissie’ zouden noemen. Voor koningin en vaderland. Je verloor en was dus fout. Maar je had geen keus. Je deed wat moest. Je vertelde weinig verhalen, maar ik heb er ook niet naar gevraagd. In je ogen heb ik de ooggetuige gezien. Dat zegt genoeg om verder te zwijgen. Verhalen zijn tenslotte ook maar verhalen.

Terwijl de filerijders van het strand naar huis rijden, ga ik twee minuten stil zijn. Daarna drink ik het restant uit mijn glas waarmee ik zonet een heerlijk stuk gegrilde entrecote heb weggespoeld. Dat kan, omdat jij cornedbeef moest eten. Uit blik. En of je nu in de hemel bent of alleen resteert in onze gedachten, ik ga op je drinken. Als dank voor mijn vrijheid. Als dank dat ik niet – zoals al die allesweters – hoef te denken in goed of fout.

Terug naar overzicht