Koningsspelen

22 april 2018

 

Een half jaar geleden was het al aan mij gevraagd. Of eigenlijk meegedeeld. “Jij bent er toch op 20 april?” Ik zei dat ik er wel bij zou zijn. De datum lag ver na de verkiezingen en ik zou tegen die tijd toch tijd genoeg hebben. Ik ging verder met het opvouwen van mijn hakama – traditionele Japanse broekrok – om vervolgens te helpen om de matten op te ruimen. De aikido-training op zaterdagmorgen was weer voorbij.

“20 april is de vergadering voor de belangstellenden”, zei de voortrekker een paar weken geleden. “Daar ben je toch wel bij?” Ik zei dat ik er wel bij zou zijn. Na mijn ontslag als wethouder had ik toch tijd genoeg. Al was er met de kwartiermakerij voor de Mosselcompagnie al veel tijd in beslag genomen. Maar in vergelijking met het gemeentewerk was er nog tijd in overvloed.

Tijd hebben is een merkwaardig fenomeen. Je hebt het moment van nu dat als een mes door het leven snijdt. Verdelend in een groeiend verleden en een slinkende toekomst. Tijd kun je niet vastpakken zoals een meter of een kilo van iets. Tijd loopt door je handen als door het midden van een zandloper. De toekomst boven het gaatje, het verleden onderin. Toch wil de mens de tijd vastpakken. Met klokken en agenda’s pakken we de tijd. Met plannen de toekomst, met foto’s het verleden.

Zelf heb ik niet zo’n behoefte om de tijd te pakken. Geen horloge, geen agenda en weinig foto’s. Het niet hebben van een agenda leidt soms tot narigheid. 20 april bijvoorbeeld.

Toen ik wethouder was, waren de dames van het bestuurssecretariaat zeer bereidwillig om mij door de afspraken heen te loodsen. Dat moest wel. Alles liep via hen. Vooral het maken van afspraken. Maar het wethouder zijn, zit in de onderkant van de zandloper en dus ook de dames van het bestuurssecretariaat. Althans voor wat mijn tijd betreft.

Het bestuurssecretariaat in de polder werkt ietwat anders. Afspraken die ik zelf maak, moet ik zelf in de agenda zetten. En dat gaat mis. Afspraken schrijf ik wel op lege envelopjes, maar niet in de huisagenda. Het resultaat is dat ik heerlijk ga sporten en dat op datzelfde moment mensen ergens op mij zitten te wachten. Na wat smoezen over wennen aan het gemis van de dames van het kantoor is het wel weer rechtgezet. Al komen deze omissies in hilarische vorm regelmatig terug in de overlegjes daarna. Gezelligheid kent geen tijd en Wout ook niet.

De 20ste kwam het overigens allemaal op z’n pootjes terecht. In de ochtend moesten we een aikidoles verzorgen voor de bovenbouw van de basisschool. Met wat gooi- en smijtwerk kregen we de meeste mini-pubertjes wel stil. Op zeven bij zeven moesten we groepjes van twaalf of meer leerlingen in een half uurtje laten proeven van deze Japanse vechtkunst. Het lijkt een druppel op een gloeiende plaat. Scholieren met een bal laten rennen is stukken eenvoudiger dan beginselen bijbrengen van een ingewikkelde bewegingsvorm. Die dan ook nog eens tegen de natuurlijke drang van een mens ingaat.

Aan de gloeiende plaat moest ik denken toen een bijdehand jongetje in een Feyenoord-shirt – daar liepen overigens veel bijdehante jongetjes in – zei dat we dat vorig jaar ook al hadden gedaan. Hij reageerde op een oefening die de groep moest gaan doen. Ik was verbaasd dat hij dat kennelijk nog wist. Maar aan de andere kant was deze dag, met het mooie weer, de judomatten op het sportveld en dezelfde mannen in hetzelfde aikido-pak een setting die de koningsspelen van vorig jaar als de dag van gisteren maakte. Alsof het nog maar een dag geleden was. Voor verleden tijd maakt het allemaal niet uit hoe lang iets geleden is.

In de middag was de belangrijke vergadering. In een setting die leek op tien jaar geleden. De geboorte van het convenant. Nu de Mosselcompagnie. Dezelfde zaal, dezelfde mannen met dezelfde gezichtsuitdrukkingen als tien jaar geleden. Dezelfde woorden. Als de dag van gisteren. Voor verleden tijd maakt hoe lang iets geleden is allemaal niet uit.

Het mes van de tijd sneed daar op dat moment het oude verleden definitief los. “Een historisch moment”, zei de voorzittende oud-voorzitter. “Applaus voor jezelf”. De mannen klapten. “Applaus voor de voortrekker”. De mannen klapten. De voortrekker hield het niet droog. Koffie en water maakten plaats voor bier. Zorgen voor optimisme.

En terwijl de onderkant van de zandloper zich onverstoorbaar blijft vullen en zich niets aantrekt van het belang van dit – nu inmiddels vergane – moment kijk ik terug op mooie koningsspelen.

Terug naar overzicht