Morgen

22 juni 2019

“Wat zou ik nog willen zeggen als je er niet meer zou zijn”

 

Talloze blokjes van rood, groen en blauw lichten voortdurend op. In de wereld van het kleine lijkt dit een willekeurig lichtspel. Soms is het alleen rood en soms is het een combinatie van bijvoorbeeld groen en blauw. Maar van afstand zie je de samenhang van het lichtspel. Het is alsof je naar een kolonie mieren kijkt. Elke mier lijkt zo maar iets te doen, tot je naar het geheel kijkt. Een stroom van zwarte puntjes laat bladeren en dode insecten bewegen. In dit geval laten de lichtblokjes beelden bewegen. Ondanks deze complexiteit is een beeldscherm de gewoonste zaak van de wereld.

Een paar meter voor onze zitbank hangt ook zo’n ding. Iedere avond knippert het ontelbare rood, groen en blauw. Bewegende beelden ter vermaak. Veel lering biedt het overigens niet. Snelle hapklare brokken die moeiteloos naar binnen gaan. Morgen is het allemaal weer vergeten en zijn er weer nieuwe hapklare brokken.

Zwijgend zitten we naast elkaar te kijken naar ik-zou-het-echt-niet-meer-weten. “Wat zou ik nog willen zeggen als je er niet meer zou zijn”, denk ik afgeleid en kijkend naar mijn lief. Ik probeer te verzinnen, maar weet niet wat. Blijkbaar komen de nog te zeggen woorden pas als ze niet meer gehoord kunnen worden. Althans niet door degene aan wie de woorden gericht zijn. Vaak genoeg heb ik hele mooie woorden gehoord over de overleden mens die ik kende. Woorden die deze mens bij leven wellicht graag had gehoord. Ik kijk verder naar het nietszeggende gedoe op de televisie en sta op. Ben het beu. Ga tandenpoetsen en naar bed.

Eenmaal onder de dekens denk ik aan de te verzinnen woorden. Verder dan ‘lief’ kom ik niet. Niet dat ik niets meer weet te bedenken, maar de slaap haalt mijn gedachten in.

De volgende morgen maakt een willekeurig lichtspel mij wakker. Lichtblokjes van de opgaande zon en bewegende bladeren wurmen zich tussen gordijn en kozijn. Nietszeggende bewegende lichtbeelden. Televisie uit de hemel ter vermaak? Ik glimlach bij de gedachte. Het is half zeven en ik hoef niets te gaan doen. Maar ik sta toch op. “Dit gaat een mooie dag zijn”.

Even na enen vertrekken we voor een afspraak. Mijn lief laat nog even de hond uit. “Ach goh…”, hoor ik ze verderop met een treurstem zeggen. Ik kijk haar achterna en zie iets oranje-wits in de berm liggen. Mijn blijde stemming slaat gelijk om. Zijn bekje hangt open en helgroene vliegen belagen zijn kopje. “Ga jij maar met de hond, ik stop hem wel onder de grond”, antwoord ik snel schakelend.

Een lege kippenvoerzak is het eerste wat ik zo rap zie. Met twee vingers wurm ik het stijve lijfje in de papieren body-bag. Aan de rand van de moestuin krijgt hij zijn laatste rustplaats. Naast Fenna. Hier zal de Aarde hem langzaam terugnemen.

Zwijgend rijden we naar onze afspraak. We zijn te laat maar dat hindert ons niet.

Na het avondeten zitten we weer op de bank. Ik denk aan onze kleine dode vriend. Hij had niet eens een naam. Hij luisterde naar het “poes, poes” van mijn lief. Haar eerste werk na het opstaan in de morgen. ‘Poes-poes’ is niet meer. De hond had nog een poosje gesnuffeld aan de plek waar wij hem vonden. Zijn zus lijkt hem niet te missen. In haar buik wacht een volgende generatie om ter Aarde te komen.

Voor mijn ogen licht het rood, groen en blauw weer op. Ik denk aan de woorden voor als ze er niet meer zou zijn. De bewegende beelden leiden mij af van deze gedachte. Ook nu zijn de hapklare brokken weer nietszeggend. De dag is lang genoeg geweest. Achter de Lange Dijk zakt de zon verder het noord-westen in. Met blauw en oranje lijkt er wel een feestje in de hemel. De doden dansen en poes-poes kijkt met grote ogen toe. Ik denk weer aan wat ik mijn lief nog zou willen zeggen. Maar wederom kom ik niet ver. Mijn handen liggen op de schouders van de dansende doden en ik polonais recht op het hemelse feestje af, zo het blauw-oranje dromenland in.

De volgende morgen…

Terug naar overzicht