Ruilen

26 november 2017

“M’n hele leven heb ik in de horeca gewerkt en nu ben ik met pensioen”. Peinzend keek hij voor zich uit en zweeg even. “Vorig jaar is mijn vrouw overleden. Als je dan een hele dag alleen zit, is het fijn om hier even om een bakkie te komen’’.

Hij zweeg weer en ik zweeg met hem mee. Naast ons nestelen wijkbewoners zich aan de nog lege koffietafel van de ruilwinkel. Een vriendelijke jongeman met een vreselijk verleden uit Eritrea regelt koffie en thee. Waar zijn Hollandse woordjes tekortschieten vult zijn onophoudelijke glimlach de taalleemte aan. In de krappe ruimte wordt plaats gemaakt voor een elektrische rolstoel. De mevrouw in de rolstoel wil thee en de jonge bediende exposeert zijn assortiment aan theezakjes. Het wordt een Earl Grey. De gepensioneerde barman kijkt goedkeurend toe.

In de ruilwinkel kun je ruilen. Lijkt me logisch, toch? Je komt binnen, krijgt een pasje waar je punten op kan verzamelen. Als je spullen brengt, krijg je punten. Als je een klusje doet, krijg je ook punten. Als je spullen mee wilt nemen, gaan er weer punten af. Punten in plaats van munten. Koffie en thee kan je niet ruilen. Die zijn gratis.

Aan de balie staat een man uit Syrië. Hij is van mijn leeftijd. Hij is al een jaar in Nederland en wil graag Nederlands leren. Maar zijn hoofd zit zo vol met ellendige herinneringen dat het maar mondjesmaat lukt om een leeg plekje voor een nieuwe taal te vinden. Op zijn lijst met spullen en punten staat een Arabische vertaling. Met potlood – je mag immers niet zomaar op een lijst kliederen – opgetekend door zijn dochter. Hij is vooral dankbaar. Als wethouder heb ik eerder zijn verhaal gehoord. Ik begrijp dat hij dankbaar is. Met een mix van Nederlands en Engels en veel expressie in onze gezichten verstaan we elkaar. Na heel veel ‘thank you’ ga ik verder met de rondleiding die al lang in mijn agenda staat.

“Er zijn nu al – een jaar geleden is de ruilwinkel gestart – 1800 pasjes uitgegeven”, zo vertelt één van de in totaal twee betaalde krachten. En dat ik vooral niet moet denken dat hier alleen maar mensen met een smalle beurs komen. Mensen met een hart voor duurzaamheid en het besef dat spullen ook meerdere levens kunnen hebben, komen hier ook. En dat er meer dan veertig vrijwilligers de boel draaiende houden. Dat een deel hier een duwtje in de rug krijgt naar een reguliere baan. Maar ook dat het geen dagbesteding is. Daar zijn andere instellingen voor.

“Je moet er maar een column over schrijven”, zo onderbreekt ze haar feitenrelaas.

Ondertussen is er geen plekje meer te vinden aan de koffietafel. Een vrouw rommelt in het hoekje met Sinterklaasknuffels. Gratis op te halen. “Je wilt je kinderen toch iets geven met Sinterklaas”, hoor ik de dame in de rolstoel naast mij zeggen. Ik knik. Ik ben nog nooit in de positie geweest dat ik mijn kinderen iets wilde geven maar dat niet kon betalen. In mijn ooghoeken zie ik dat drie knuffels een tweede leven krijgen.

De betaalde leiding gaat verder met haar verhaal. Dat ze begrepen had dat ik de ruilwinkel naar Zierikzee had gehaald. Ik zei dat dit niet helemaal waar was. Een paar jaar geleden zat ik als raadslid aan een dialoogtafel. Hier kwam de ruilwinkel in Goes ter sprake. Na goed geluisterd te hebben, zei ik dat we dat ook in Zierikzee zouden moeten hebben. Vervolgens zijn we op schoolreisje met de gemeenteraad naar de ruilwinkel in Goes gegaan.

In Goes hoorden we de succesverhalen aan. Van een tienermoeder die alleen voor haar baby zou moeten zorgen en geen cent te makken had. Uit de ruilwinkel kwam de uitzet en hulp om een kinderkamertje in te richten. Dat raakte mij. Nogmaals. Als ouder heb ik mijn kinderen nog nooit iets noodgedwongen moeten ontzeggen. Direct na ons raadsuitje gebeurde er weinig. Maar toen de basisschool in Malta dicht ging en het gebouw daarna leeg kwam te staan, gebeurde er ineens heel veel. De ruilwinkel in Zierikzee was een feit. En net als in Goes was het vanaf de start een succes.

Ik heb mij afgevraagd waarom dit fenomeen van ruilen zo succesvol is. Ruilen doet huilen is immers het adagium. Vaak heb je spijt of verdriet als je afstand doet van iets en iets krijgt wat eigenlijk toch niet aan de verwachting voldoet.

Eigenlijk is de ruilwinkel dan een winkel van verdriet. Mensen brengen er spullen die al jaren op zolder liggen en bij de grote schoonmaak toch worden weggemikt. Het is toch om te janken dat wij verwachten dat onze medemens blij wordt van de rommel waar wij zelf van af willen? Hoe zou je het zelf vinden om in de rotzooi van een ander te zitten of om in de rotzooi van een ander gekleed te gaan? Daar zou je toch zelf ook verdrietig van worden. “Ja”, hoor je dan, “anders hadden we het toch maar weggegooid en nu heeft iemand anders er nog wat aan”. Ja, lekker barmhartig. Overbodigheid weggeven.

In deze winkel zit het verdriet niet alleen in het ruilen van overbodige spullen. Het zit niet alleen in het niets hebben van de klanten. Het zit ook in het verdriet van de vrijwilligers die gevlucht zijn uit Syrië, uit Eritrea, uit ellende hier ver vandaan. Het zit in het verdriet van de barman die nu weduwnaar is. Iedereen die in de ruilwinkel komt of werkt heeft wel een verhaal met verdriet.

Waarom is de winkel van verdriet dan zo een succes. Omdat ruilen niet altijd huilen betekent, maar ook hoop geeft. Hoop op iets anders, iets nieuws. Hoop op spulletjes die je niet kunt betalen. Hoop dat je ellendige verhalen een luisterend oor krijgen. Hoop dat de Nederlandse woordjes de oorlogsherinneringen uit je hoofd duwen. Hoop dat je met anderen lief en leed kan delen nu je vrouw er niet meer is. Hoop dat iemand je hoort en helpt. Dat maakt de ruilwinkel tot de winkel van hoop.

Hoop uit ruilen.

Terug naar overzicht