Slik

14 januari 2018

In mijn achteruitkijkspiegel zie ik norse gelaatstrekken. Een verder niet bekend gezicht lijkt over het stuur naar mij toe te willen komen. De auto komt gevaarlijk dichterbij en de linkerwielen sturen over de doorgetrokken middenstreep. Deze vorm van non-verbale communicatie moet kennelijk duidelijk maken dat ik niet hard genoeg rij.

Mijn cruisecontrole staat op 100. Op de hectometerbordjes naast de weg staat 100. Zo gaat het de laatste vijf kilometer over de Grevelingendam tot de afslag Bruinisse. Daarna is het 80. Mijn cruisecontrole gaat ook naar 80. Het norse gezicht gaat nu echt kwaad kijken. Als het kon, zou hij me over mijn dak inhalen, zo voelt het. Eindelijk is dan het moment daar. De rotonde bij Bru. Hij trapt vol op het gas, haalt me rechts in, schiet rechtdoor over beide rijbanen tegelijk om honderd meter verderop achter de volgende 80-rijder zijn ergernis te kunnen hervatten. “Wat een lul”, denk ik. “Wat een lul”, denkt het norse gelaat.

Door de polder vervolg ik mijn weg naar huis. ‘Slik’ staat er in rode letters op een wit bordje langs de weg. Dat bordje staat er niet voor niets. De laatste kilometers rollen met een gangetje van 60 onder mij door. Ik ben alleen op dit stukje weg. Geen nors gelaat in mijn achteruitkijkspiegel.

Rond kerst en oud en nieuw heb ik een boek gelezen van Hannah Arendt. Deze joodse filosofe en politiek denker schrijft over het proces van Eichmann in de jaren zestig. Eichmann was medeverantwoordelijk voor het transport naar de vernietigingskampen in de Tweede Wereldoorlog. Israëlische geheimagenten hadden hem uit Argentinië ontvoerd om in Jeruzalem terecht te staan voor zijn misdaden. Arendt deed verslag van dit proces. Zij komt tot de conclusie dat Eichmann een soort van onbenul is die gewoon deed wat hem werd opgedragen.

Eichmann schept op over zijn positie. Hij maakt zich belangrijker dan hij werkelijk was. Hij vertelt over zijn emigratieplannen om op een humane manier het Duitse rijk ‘Judenfrei’ te maken. Maar in werkelijkheid waren deze plannen al veel eerder, eind jaren dertig, door Hitler en wat naaste handlangers gesmeed. Eichmann, zo schrijft Arendt, is niet meer dan een clown. Zonder na te denken speelt hij zijn – deels zelf gefantaseerde – rol uit het script van zijn superieuren.

Jaren geleden heb ik met mijn moeder en zussen Jeruzalem bezocht. Het bezoek aan het Holocaustmuseum Yad Vashem staat daarbij in mijn geheugen gegrift. Als toeschouwer is dit deel van onze geschiedenis niet in woorden te vatten. Alleen al het astronomische getal van zes miljoen Joodse slachtoffers. Zes miljoen!

Als ik naar de Eichmann-kant van deze getallen kijk zie ik zijn gigantische logistieke uitdaging. Het Deutsche Reich moest Judenfrei gemaakt worden. Dat betekent het verhuizen van meer dan tien miljoen mensen. Er waren plannen om ze naar het Britse Palestina en het eiland Madagaskar te verhuizen. Als snel bleek dat deze maatregelen niet snel genoeg tot het gewenste resultaat leidden. In 1942 werd daarom de Wannseeconferentie georganiseerd voor de ‘Endlösung der Judenfrage’.

Deze ‘logistieke uitdaging’ bestond uit verzamelen, vervoeren en vernietigen. Einzatzgruppen schoten grote groepen dood. In concentratiekampen werd, na wat experimenten met gaswagens, uiteindelijk het ontluizingsmiddel Zyklon B ‘succesvol’ ingezet. Een gigantisch ambtelijk apparaat moest het soepele verloop van deze massale ‘endlösung’ regelen.

Aan Eichmann was het de taak om te zorgen dat het transport zo optimaal mogelijk verliep. Zowel troepen als de ‘ten dode bestemden’ moesten over het spoor naar het oosten. Op de verzamelpunten moesten op vastgestelde tijden de vastgestelde hoeveelheid mensen aanwezig zijn. Verder dienden al die mensen afstand te hebben gedaan van hun bezittingen. En natuurlijk moest er betaald worden voor de treinreis. Dat vergde een nauwgezette planning en veel administratieve handelingen, die uitgevoerd werden door de ambtelijke organisatie. En Eichmann was slechts een van de talloze ambtenaren die loyaal hun opgedragen taken ten uitvoer brachten.

Het lezen van ‘Eichmann in Jeruzalem – de banaliteit van het kwaad’ heeft mij meer geraakt dan de beelden en verhalen uit Yad Vashem. Zowel Eichmann als de slachtoffers waren als radertjes in een machine. De machine draaide en iedereen deed zijn ding. Zonder na te denken over het waarom van deze waanzin. Er werd alleen nagedacht over het hoe. Hoe krijgen we de treinen op tijd op het station. Hoe krijgen we het juiste aantal mensen in de wagons.

De banaliteit van het kwaad heeft mij geraakt. Niet vanwege het kwaad dat van nature in de mens zit, zoals sommige religies prediken. Nee, het gaat mij er om dat mensen tot alles in staat zijn, omdat ze zelf hun handelen kunnen goedpraten.

Eichmann streefde naar efficiency om onnodig lijden te voorkomen. De onvermijdelijke dood moest zo humaan mogelijk, zo maakte hij zichzelf wijs. De schutters bij de lijkenputten schoten eerst de ouders dood en daarna de kinderen. Zo hoefden de ouders niet te zien hoe hun kinderen zouden sterven. Ieder radertje in de machine had zijn eigen goedpraatverhaaltje. En al die goedpraatverhaaltjes hebben geleid tot zes -sommige schattingen zijn vijf en een beetje – miljoen vermoorde Joden en miljoenen andere geslachtofferde ‘untermenschen’.

Goedpraatverhaaltjes zijn van alledag en gaan van groot tot klein. Ik praat het goed om mij precies aan de snelheid te houden van de bordjes ondanks dat er iemand met veel haast achter mij rijdt. Ik zou het ook goed kunnen praten om wat harder te rijden, omdat een medemens haast heeft. Het norse gelaat heeft vast wel een goedpraatverhaaltje dat je wel harder kunt rijden als er verder geen hond op de weg zit en de rijomstandigheden gunstig zijn.

In het groot praten we goed om mensen aan de grenzen tegen te houden maar wel over diezelfde grenzen hun grondstoffen te willen hebben om spullen te maken om vervolgens de afgedankte spullen weer over deze grenzen terug te dumpen. Daar zijn hele mooie economische goedpraatverhaaltjes over geschreven en verteld.

Met dezelfde taal en woorden zoals ik die gebruik in mijn column en Hannah Arendt in haar boeken zijn de goedpraatverhaaltjes in de Holocaust verzonnen. Net als alle andere goedpraatverhaaltjes van bijvoorbeeld verkeersgebruikers of van de geopolitiek.

Ik laat de taal en woorden even voor wat ze zijn. Ik zie de gruwelbeelden voor me van de gestapelde hopen – het leken wel etalagepoppen – in de fotogalerij van Yad Vashem. Een brok schiet in mijn keel.

Misschien kreeg ik daarom het idee voor deze column toen ik langs dat witte bordje met de rode letters reed.

‘Slik’

Terug naar overzicht