Warme trui

12 februari 2017

“Waarom zitten jullie met een muts op in de klas?”, vroeg ik. “Omdat het warme-truiendag is vandaag”, klonk het onder een gebreide muts met pompoen. “En fleece is het beste”. “Dat hebben we gezien met de ijsklontjes”. De juffrouw, niet in warme trui maar in een jurk met maillot, keek het achter in de klas met een glimlach aan. Het was 16,7 graden in de klas, zei ze. Vorig jaar kregen ze de verwarming niet lager en zat iedereen te zweten.

In het kader van de warme-truiendag moest de wethouder als quizmaster optreden. Met een lijst van veertig ja/nee-vragen – in dit geval muts-op/muts-af-vragen – en nog een vraag hoeveel huizen er in Nederland met zonnepanelen zijn. Die laatste in het geval er nog geen winnaar zou zijn. Voor iedereen een duurzame pen van karton met een minder duurzame vulling en voor de nummer één, twee en drie een apart prijsje.

De vragen gingen over de zon, fossiele brandstoffen, CO2 en dat soort dingen. De gemengde groep zeven en acht van 19 kinderen in totaal wist best veel over energie. Het enthousiasme was groot. Na zo’n tien vragen waren er nog vijf die naast hun tafeltje stonden. De rest was ‘af’ en moest zitten. Zij moedigden de staanders aan. Na de twaalfde muts-op/muts-af-vraag zat iedereen op zijn stoel. Geen winnaar. Gejuich ging op toen iedereen weer mee mocht doen. Maar na nog een reeks vragen hadden we uiteindelijk een winnaar. Ik liet de rest van de vragenlijst maar voor wat het was.

De juffrouw zei dat het inmiddels 17,4 graden was geworden. Global warming uit de energie van enthousiaste kleine mensjes. Ik vroeg naar de proef met ijsklontjes. Vingers schoten in de lucht. De hele klas mocht weer meedoen. Een tenger blond meisje legde het uit. Vier plastic zakjes met een ijsklontje. Een stukje papier, een stukje katoen en een fleecetrui. Met de fleecetrui er om heen overleeft een ijsklontje het langst.

Of ze wisten wat de ecologische voetafdruk was. Dat wisten ze niet. De juf wel. En na enige uitleg – juffen kunnen ingewikkelde zaken megagoed uitleggen – wisten ze het. Of ze wisten dat we in Nederland zeven keer zoveel ‘aarde’ gebruiken dan in sommige arme landen in Afrika. Na wat opmerkingen over dat ze daar geen verwarming nodig hebben, werd het stiller. Indrukwekkend hoe kinderen van een jaar of elf dit soort complexe vraagstukken in kunnen voelen. De ernst was van hun gezichtjes te lezen. Na mijn vraag of ze wat hadden geleerd en het leuk hadden gevonden, namen we afscheid.

In de auto op weg naar Goes dacht ik na over mijn footprint-vraag. Had ik dat nu wel moeten vragen? Ik parkeerde mijn auto (ik had ook met de bus kunnen gaan of niet kunnen gaan) onder het stadskantoor. Boven in de raadszaal zou de ondertekening plaatsvinden van een akkoord om tot verdere verduurzaming van onze woningen in Zeeland te komen. Compleet met bolussen en champagne.

Het invoelen van de basisschoolklas in het footprintvraagstuk uitte zich in het stiller worden. Omdat de kinderen voelen dat er iets niet klopt en er toch niet echt iets aan kunnen doen. Maar in het gezelschap van grote mensen werd het niet stil. Integendeel. Na iedere handtekening kwam er een mooi verhaal over het waarom van het zetten van de handtekening. Van installateurs die warmtepompen willen plaatsen. Van bouwers die nul-op-de-meter-woningen willen bouwen. Van onderwijsbazen die duurzaamheid willen doorgeven. Van bestuurders die ambities hebben om over twintig jaar energieneutraal te zijn. Van goede voornemens die werden beklonken met een glas champagne.

Ik ken een man. Beetje op leeftijd, die zijn hele leven hard heeft gewerkt. Ooit heeft hij berekend hoeveel geld hij de rest van zijn leven nodig zou hebben. En dan nodig eerder in de betekenis van noodzakelijk dan nodig voor het realiseren van een uitgebreide bucketlist. De rest heeft hij in een stichting gestopt. En ieder jaar geeft hij een beetje aan kleine projecten. Projecten in het stukje wereld waar mensen het met maar met 1/7e moeten doen van het stuk aarde dat wij ‘nodig’ hebben.

Ik weet dat een andere man, meerdere mannen – die ik gelukkig niet ken – muren willen bouwen. Om mensen tegen te houden die hier willen komen, omdat er voor hun geen stukje aarde meer overblijft. Simpelweg omdat wijzelf teveel aarde voor onszelf willen hebben.

Het maakt daarbij niet uit of je vanuit het rentmeesterschap leeft, of vanuit het eerlijk delen, of vanuit de ontwikkeling van het individu. De westerse mens, christelijk, socialistisch of liberaal leeft gewoon op een te grote (ecologische) voet. En het kleine beetje kind dat nog in mij rest, wordt daar heel stil van. Ik weet dat het niet klopt en toch kom ik niet verder dan een quiz en het zoveelste verhaal in een warme trui.

 

 

Terug naar overzicht