Wethouder

12 november 2017

In de aanloop naar het wethouderschap ben ik door een heus bureau onderzocht op integriteit.
Daarbij heb ik mij afgevraagd hoe je dat in vredesnaam kan onderzoeken. Integer zijn is iets wat in je hoofd zit. Net als een geweten of snode plannen. Volgens mij zijn onderzoekers nog niet zover dat ze dat uit je hoofd kunnen aflezen. Het onderzoek beperkte zich dan ook tot openbare bronnen en een interview. Goed genoeg om te concluderen dat we hier met een voldoende integere kandidaat-wethouder te maken hebben.
Een van de vragen in het gesprek was of ik na mijn benoeming zou doorgaan met het schrijven van een column. Dat zou een risico kunnen zijn. Wethouders mogen nu eenmaal niet lukraak alles zeggen wat ze denken. De wethouder spreekt niet, het college van burgemeester en wethouders spreekt. Dat is het grote verschil met raadsleden. Die mogen alles zeggen wat ze willen; en dat doen ze ook. Ik vond en vind dat nog steeds een groot recht in onze democratie.
Maar als mens heb ik zo nu en dan de neiging om wel te willen reageren. Bijvoorbeeld op een krantenartikel over een bijeenkomst waar ik toch echt bij was maar waarvan ik lezende het artikel een totaal verknipt beeld voorgeschoteld krijg. Dan bijt ik maar op mijn tanden en hou mijn mond. “Smoel zwiegt”, zei mijn moeder ooit. Als wethouder moet je je woordjes wegen op een goudschaaltje. De integriteitsonderzoekers hadden mij hiervoor al gewaarschuwd.
Wat ik natuurlijk wel mag doen is verhalen van dingen die ik in de openbaarheid mee heb gemaakt. Zo was ik afgelopen donderdagmorgen bij de Pontes om het leerproject rond afval af te trappen. Normaal zou dat voor Jacqueline – wethouder Van Burg – zijn, maar die kon niet. En daar stond ik dan voor een aula vol rumoerige derde- en vierdejaars mavo- en havoleerlingen. Na wat vermaningen en het wegsturen van drie jochies naar de gang werd het een beetje stil.
De docente zei dat ik wethouder was en er volgde applaus nog voor ik iets gezegd had. Ik begon te vertellen dat ik nog een jaar op deze nieuwe Pontes had gezeten voor mijn vwo-examen. “Slimme jongen”, zo klonk het ergens achterin. Dankbaar aanvaardde ik dat compliment. Ik vervolgde met te zeggen dat dit gebouw in de nabije toekomst wordt afgebroken en dus afval wordt. Dat alles wat nieuw is uiteindelijk afval wordt. Inclusief de mens. Inclusief jullie, zo benadrukte ik. Even was het heel stil. En dat hun generatie zich niet de luxe kan permitteren van mijn generatie. Stoffen uit de grond halen, spullen van maken en vervolgens weer in de grond stoppen. Zij zullen de stoffen van de vuilnisbelt moeten halen. Recyclen. Ik liet een korte stilte vallen. Ik besefte dat dit best wel zwaar over moest komen. Snel wenste ik hun veel succes bij het bezoeken van alle bedrijven die meededen met dit project. Weer applaus en binnen enkele minuten was mijn optreden klaar.
Omdat ik nog ruim op tijd was voor de bespreking met het college over de begroting vroeg ik aan een van de aanwezige leraren of ik een deel van zijn les mee mocht maken. Een beetje sfeer proeven hoe het nu gaat. Voor mij was dat bijna veertig jaar geleden.
De docent van ongeveer mijn leeftijd maakte een vermoeide indruk. Gisteren was zijn vrije dag ingezet voor een klasse-uitje. Drie uur in de bus heen en drie uur in de bus terug. Voor het naar bed gaan nog 36 mailtjes gelezen en beantwoord. De les begon met de huiswerkbespreking over de verschillende soorten snelheden. Dat zijn er drie. Versnelling, vertraging en constant. Tussen de regels door een mobieltje afpakken en papiertjes uitdelen omdat er boeken waren vergeten. Lesgeven en oppas spelen tussen drukke vrouwende meisjes en kleuterende jongetjes. Ik moet veertig jaar geleden ook zo geweest zijn, al weet ik dat niet meer. Wel weet ik dat ik mijn huiswerk maakte tijdens de uitleg van de leraar. Zo hoefde ik thuis niks meer te doen. Na een kwartier had ik het wel gezien en ging ik terug naar het gemeentehuis. Commentaar voorbereiden op de aangekondigde voorstellen voor de begrotingsvergadering van die middag.
Tijdens de begrotingsraad dwaalden mijn gedachten even af naar de jongens en meisjes uit 2-mavo. Volgens mij was dat bij het bespreken van de opvallende oproep om lief voor elkaar te zijn uit de algemene beschouwingen van de fractie van de CU. Na enige hilariteit zorgde de indiener van de oproep voor een serieuze ondertoon. Onbaatzuchtig zijn. Altruïsme. Ik dacht aan de onbaatzuchtige docent tussen zijn drukke pubers.
‘Heb uw naaste lief als u zelf’, zo heb ik meegekregen. De belangrijkste leerregel uit het christelijk geloof. Recentelijk heb ik het inzicht gekregen dat deze gulden regel niet uniek is voor de menselijke soort. Een poosje geleden heb ik daar enkele columns aan gewijd.
In een politieke oproep om een beetje lief te zijn voor elkaar schuilt een vreemde tegenspraak. Lief zijn voor elkaar is een vanzelfsprekendheid. Net als integer zijn of een geweten hebben. Op het moment dat je vanzelfsprekendheden politiek gaat benoemen zijn ze kennelijk niet vanzelfsprekend meer. Waarden benoemen waar sleet op gekomen is. Waarden zoeken en onderzoeken. Zoals de integriteit van de wethouder of de naastenliefde in de raad.
Over lief zijn gesproken kan ik niet voorbijgaan aan de column van Aart de Zeeuw in de Wereldregio van afgelopen week. Aart ziet mij als een leerling die moeizaam zijn eerste periode doormaakt. Hij wil mij graag over laten gaan. Met een beetje huiswerkhulp een frisse start maken. Als een onbaatzuchtige docent voor zijn tobbende leerling. Ik vind het lief van Aart en een frisse start ga ik zeker maken. Zij het niet als wethouder.

Terug naar overzicht