Woodstock 2

23 september 2017

Lagavulin. Door het gegraveerde cilindrische glas schijnt een lage nazomerzon door het goudbruine vocht. Zestien jaar geleden is het gebrouwen. Als je tenminste het etiket mag geloven. Zestien jaar geleden. 2001. Mijn gedachten dwalen terug, maar ik krijg de tijd niet vast. Jaartallen en datums zeggen mij weinig.

Ik neem een slok. Een spoor van vuur stroomt door mijn keel. De brok die er al een paar uur zit, stroomt gedeeltelijk mee. Maandagmiddag is geen gebruikelijke tijd om whisky te drinken. Maar voor dit moment heb ik een lang bewaarde fles ontkurkt.

Een moment dat er al maanden zat aan te komen. Een moment waarvan je als redelijk denkend mens ziet dat het onvermijdelijk is en je het toch wilt uitstellen. Tot het niet langer kan.

Ik steek mijn neus over de rand van het kristallen glas. Ik ruik koolteer. De geur van de oude mosselboten die op het slik naast de werf van een nieuwe teerlaag werden voorzien. De geur van de kotten en knippen van bure Janet.

Ik denk aan Ierland waar ik dit goedje heb leren drinken. Jerry – een gepensioneerde visserman – liet me de kust zien. Alle plekken die voor de mosselkweek interessant zouden kunnen zijn. De hele dag in de auto. Ontbijten met spek, worst en vooral veel vettigheid en doorhalen tot het avond was. Dan een slaapplek zoeken en de pub in. Zitten op een laag krukje voor het haardvuur met een glas goudbruin vocht. In de pub rook het niet naar teer. Een blauwe walm sigarettenrook verdoezelde alle luchtjes die je jaren later na het rookverbod wel rook.

Ierland was na de bouw van Woodstock mijn volgende avontuur. Pionieren in een land waar op mosselgebied nog niks was geregeld. Lagavulin is goed spul. Herinneringen komen weer boven. Zoals die keer dat onze Ierse maten vroegen of we een jachtgeweer nodig hadden tijdens de visserij. Sommige localo’s probeerden onze mossels op te vissen terwijl wij dit ook deden. Daar moesten we dus wat aan doen. Het jachtgeweer is echter niet aan boord gekomen. Uiteindelijk is ons avontuur op niks uitgelopen. Verkeerde tijd op een verkeerde plaats. Collega’s van mij zijn later meer succesvol geweest. Beetje centen armer en veel verhalen rijker.

Opeens weet ik waarom ik aan Ierland moet denken. Het vooronder van de oude Bru 6. In dat bedompte hokje rook het ook naar teer. Ook naar de gasolie voor de kachel. Er was een ijzeren drinkwatertank waar het water bruin werd als je slingerde. En slingeren doe je altijd in Ierland. In een keukenkastje stond een gasfles in hetzelfde hok waar je sliep. De koelkast werkte op gas. Als het waakvlammetje uitging – bij een slingerend schip – kon je de gaslucht ruiken. Ik weet het weer.

Met de tweede slok stroomt het laatste stukje brok uit mijn keel. Het uitgestelde moment is vandaag gekomen. Het is over en uit. Een zoveelste hoofdstuk afgesloten.

Eerst anderhalve slaappil gegeven. Daarna in de auto gedragen. Toen op een soort van rijdende serveertafel. Voorzichtig op een dekentje op de grond. Een mager hoopje ellende. Nog geen schaduw van wat hij ooit was. Ik voel tranen op mijn kaken. Een lange witte jas knielt naast hem neer. Twee spuitjes. Een spuitje om te gaan slapen. Een spuitje om niet meer wakker te worden. Zijn adem stopt. Bijna twaalf jaar was hij bij ons.

Door de polder rij ik naar huis. Uit de boxen dreunt de synthetische muziek van Armin van Buuren. Intens (zo heet het nummer). Ik denk aan twaalf jaar geleden toen wij Asterix ergens ver weg vanuit Drenthe naar huis haalden. Toen moest ik nog raadslid worden. Samen met Wim voerde ik een persoonlijke campagne met helder en uitdagend. Gejat van de landelijke campagne.

In dit hondenleven is veel gebeurd. Stop de groene leugen. Het paard van Troje in de Waddenvereniging. Marathons lopen. Bedrijfsovername en bedrijfsbeëindiging. Verhuizen.

“It’s a beautiful beautiful life”, zo galmt het twee nummers later door de auto als ik over het laatste stukje Langeweg rij. Met het thuis in zicht bedenk ik me dat ik nog een hele mooie whisky heb staan…

 

Terug naar overzicht