Woodstock 3

1 oktober 2017

Halverwege de jaren tachtig is Woodstock dus geboren. De eerste pogingen om iets van de twee oude arbeiderswoninkjes te maken begonnen in de periode dat ik net van de universiteit kwam. Na zo’n anderhalf jaar had ik het daar wel gezien.
Het eerste jaar in Leiden was stampen. Zo veel mogelijk stof uit de volle breedte van het biologenvak in je hoofd stoppen. Eten in de Bak of bij Augustinus en ’s avonds zoveel mogelijk sporten. Ieder weekend naar huis want daar waren mijn vrienden. Na het behalen van mijn propedeuse kwam het tweede jaar. Differentiatie. Proberen om je eigen weg te vinden. Op een dag kwamen er drie oud-studenten vertellen wat zij met hun studie hadden gedaan. Ik weet nog dat een van hen vertelde – met de nodige frustratie overigens – dat hij voor de gemeente verkeerstellingen uitvoerde. Hij had iets gedaan met pissebedden. Met een penseeltje had hij witte verfkloddertjes op hun schild gefriemeld. En vervolgens veel tellingen gedaan. Daarom was hij nu verkeersteller geworden. Hij vond het duidelijk niet fijn.
Of ik aan deze student heb gedacht bij mijn laatste tentamen statistiek weet ik niet meer. Wel weet ik dat ik het blanco vel onder mijn handen leeg heb gelaten. Na, ik denk zo’n tien minuten, ben ik opgestaan en uit het lokaal gelopen. De trein gepakt en naar huis. “Ik kap ermee”, zei ik toen ik thuiskwam. “Dat dacht ik wel”, was het antwoord. Moeders weten immers altijd alles. Met de auto teruggereden en mijn kamer leeggehaald. Het paste allemaal. Zoveel had ik toen niet nodig.
Ik wilde in dienst, maar daar zaten ze (nog) niet op mij te wachten. Bij mijn nummer stond studie-uitstel dus moest ik nog maar even geduld hebben. “Wat ga je dan in de tussentijd doen”, was het aan de huiskamertafel. “Met jou mee”, zei ik tegen mijn vader. Ik mocht mee. Net als de mast, die vaart ook mee. Zoiets was het antwoord. Het was 1984.
De oude oude Bru 6 – er kwamen later nog twee Bru-zessen – was zesentwintig bij viertachtig. Dat moest je altijd roepen over de marifoon als je door de sluis wilde. Er lag een Cummins in van 260 pk. Met een houten rad moest je koers houden. Constant corrigeren want de romp wilde alle kanten op behalve recht vooruit. In het vooronder stond de hele dag een kan met koffie te pruttelen. Koffie die eigenlijk alleen bij het eerste bakje enigszins te drinken was.
De bemanning bestond uit mijn vader als schipper, mijn ome Jan en Leen Dup. Van Zuidland heette hij eigenlijk. Leen dronk de sju uit de vleespan als toetje. Mijn ome Jan wilde niet met mijn vader meerijden naar en vanuit Harlingen. Hij reisde met openbaar vervoer. In de zoom van zijn jas zat zijn geld verstopt. Leen kon niet lezen en schrijven en ook niet varen. Mijn ome Jan kon niet vissen. Hij kon wel koken, dat wil zeggen, iets warm maken. Ik kon helemaal niets. Natuurlijk wel lezen en schrijven, maar dat was op de Bru 6 niet nodig. Mosselkweek was niet iets voor (halfbakken) wetenschappers. Later zou dat drastisch veranderen. Toen nog niet. Voorlopig voer ik mee als de mast.
Hoewel mijn leven veranderde, veranderden de weekeinden niet. Vrijdagavond duiktraining. In de winter in het zwembad en in de zomer in de Grevelingen. Zaterdagochtend anderhalf uur karate bij Josef Tol en later in de middag een uurtje judo gevolgd door een uurtje jiu-jitsu bij Geelhoed. ‘s Zondagsmorgens zo nu en dan een eindje hardlopen in de Domeinen. En natuurlijk veel bier drinken tussendoor. De tijd en vooral mijn verdiende geld dat over was, spendeerde ik in mijn oude huisjes. “Het wordt een duur schuurtje”, zeiden mijn vrienden als reactie op mijn gepruts. Ik zei niks. Ik geloofde er in.
Na een jaar kwam een eind aan het meevaren als de mast. Ik werd onder de wapenen geroepen. Lichting 85-4. Opkomen in de Chassé-kazerne in Breda. Al na een paar dagen stak ik mijn middelvinger op naar een sportinstructeur die vond dat mijn groep niet snel genoeg ging. Het gesprekje dat daar op volgde met opper Visia (zoiets was zijn naam) maakte snel duidelijk dat het vrijgevochten leventje van het afgelopen jaar over en uit was. Visia was een Indo met een infanterie-achtergrond. Zijn taak was het om van burgerklojo’s soldaten te maken. Onderofficieren om preciezer te zijn. En dat in een maand of zes. De rest van de diensttijd moest deze investering worden terugverdiend tijdens de parate periode van nog een jaar. Ook toen waren er al klaagzangen over een tekort aan oefenmunitie en de slechte staat van de voertuigen. Visia uitte zijn frustratie door op zolder zich eindeloos aan een balk op te trekken of push-ups te doen. De kleine gespierde Indo keek dwars door je heen. Streng maar recht door zee. Een gedreven leraar. Les 1. Geen vingers naar meerderen. Geen vingers naar niemand niet.
Vele lessen later had Visia voor mij verzonnen dat ik commandant moest worden van een M-110, die ‘atoomgranaten’ af kon schieten. Dat was ons tweede gesprekje. Ik weigerde. Atoomwapens vond en vind ik nog steeds niks. Hij keek mij aan in het besef dat het niet veel zin had om hier nog meer woorden aan vuil te maken. “Dan ga je bij de verbindingen”.
De verbindingen waren niet populair. Je kreeg een Laro met chauffeur en een lijnploeg van twee man toegewezen om telefoonkabels door de bosjes te rollen. Altijd in weer en wind en altijd op zoek naar iets wat weer eens kapot was. En vooral heel veel schoonmaken na een oefening. Een commandant van een M-110 was een veel mooier baantje. Toch bedankte ik de opper hartelijk voor zijn aanbod om wachtmeester verbindingen te mogen worden. Hij keek er niet van op.
Na Breda ging ik naar Oirschot. De Steveninck kazerne. Niet om lijnen te leggen, maar om dienstplichtigen op te leiden voor Duitsland. In totaal zouden dat drie lichtingen zijn. Opper Visia had dit persoonlijk geregeld. Op de een of andere manier was er een klik ontstaan. Hij zag in mij wel iemand die zijn rol kon spelen. Van burgerklojo’s soldaten maken.
En hoewel ook nu mijn leven veranderde, veranderden de weekeinden niet. Sporten, bier drinken en prutsen in twee krotwoninkjes. Hout, staal en stenen gingen door mijn handen. Langzaam groeide Woodstock.

Terug naar overzicht