Woodstock 4

7 oktober 2017

Na de opleiding in Breda verhuisde ik naar Oirschot. Ik kwam terecht bij de schoolbatterij van de 41eafdeling veldartillerie. Als wachtmeester verbindingen kreeg ik de verantwoordelijkheid over het verbindingsmaterieel. Verder moest ik meehelpen om de nieuwe lichting kanonniers klaar te stomen voor Duitsland. Van burgerklojo’s soldaten maken, zoals opper Visia dat zo poëtisch kon verwoorden. Jongens moesten in twee maanden tijd kanonnier worden in 1985.

Deze opleiding bestond vooral uit de danspasjes van de exercitie, leren schieten en het handboek van soldaat in praktijk brengen. Op de schietbaan leerden we deze ‘groentjes’ schieten met de fal en uzi. Het leukste was de pauze. Dan maakten we met een paar man de resterende munitie op. Als je de vuurregelaar uit een fal verwijdert, kan je hem laten ratelen. Net als een machinegeweer. Wij vonden dat prachtig. De baancommandant echter niet. Een fal is niet om te ratelen en bovendien is het niet zonder gevaar. Briesend maakte hij dat ons duidelijk.

In Oirschot kon ik redelijk mijn gang gaan. Tegen het eind van de ochtend ging ik een paar dagen in de week zwemmen in het zwembad. Dat ging goed tot ik mijn kapitein tegenkwam. “Wat doe JIJ hier?!” “Zwemmen kapitein, net als u.’’

Net als de kanonniers waren de commandanten er ook maar enkele maanden. In die periode kregen ze twee inspecties waarmee ze zoiets van punten op hun cv konden verdienen. Een van de onderdelen was het materieel waar ik verantwoordelijk voor was. Toen de tweede kapitein bij onze batterij kwam, maakte ik hem gelijk duidelijk dat ik er persoonlijk voor zou zorgen dat alles pico bello in orde zou zijn. In ruil voor een beetje vrijheid natuurlijk.

Met deze vrijheid ging ik dus zwemmen. Ik heb een cursus Noors bij het LOI gevolg, om het één keer te gebruiken op vakantie en vervolgens te vergeten. Ook ging er een beetje vrijheid naar het onbeperkt trainen voor de Vierdaagse in Nijmegen. En er ging een beetje vrijheid naar een infanterieoefening met het twaalfde.

Het twaalfde, de 12e afdeling veldartillerie, zat in hetzelfde gebouw als wij. Dit was een parate afdeling. Toen zij een infanterieoefening hadden, heb ik mij vrijwillig aangemeld. De kapitein keek vreemd op (want wie gaat er nu graag op oefening), maar ik mocht mee. We gingen naar ergens in het zuiden van Limburg. Als wachtmeester kreeg ik de leiding over zeven man.

Op een gegeven moment moesten we naar een bivak marsen. Toen we daarbij over de Geul wilden, begonnen onze beroepscollega’s met oefenmunitie te schieten. Zij stonden op de bruggetjes. Kennelijk mochten we daar dus niet over, maar moesten we door het water. Infanteristen maken in zo’n geval een drijfpakket. Dat is al je hebben en houwen in een tenthelft verpakken en in je onderbroek naar de overkant. Resultaat is alles nat.

We hadden daar eigenlijk niet zoveel zin in en dan is het een kwestie van ‘Tom Poes verzin een list’.

Toen ik langs een boerderij liep, zag ik daar zo’n hoge veewagen achter een tractor staan. Ik liep naar de boer en vroeg hem of hij ons naar de overkant wilde brengen. Nadat iedereen een rijksdaalder lapte, zei hij ja. Hij vroeg waar we naar toe moesten en bracht ons tot enkele honderden meters voor het bivak. De brugwachters hadden niks in de gaten. Toen wij als eerste groep schoon en droog op het bivak aanmarcheerden, keek de kapitein mij vol verbazing aan. Hij vroeg echter niets. Ik zei ook niets. Niemand van ons.

Die avond moesten we verkassen naar een volgend bivak in een kaartvierkant. Ik vond een mooi plekje vlak naast de weg die zo’n anderhalve meter onder het maaiveld lag. Zo zouden we onzichtbaar blijven voor het licht van de legervoertuigen. We knoopten onze tenthelften vast en sliepen al snel. Midden in de nacht was het een kabaal van jewelste. Knallen, voertuiglampen en schreeuwende beroepscollega’s. Het was de bedoeling dat we weer moesten verkassen. Toen het lawaai minder werd, draaiden we ons om en sliepen verder. De lampen hadden ons niet kunnen verraden.

Tegen de morgen braken we op en liepen verder. Na een kwartiertje werden we aangehouden door de kapitein en zijn chauffeur. Na een korte preek van zijn kant, zei ik: “Sorry, ik heb niets gehoord. Beetje vast geslapen zeker.” De kapitein zuchtte diep en zei maar niets meer. Ik ook niet. Niemand van ons.

We gingen ontbijten in de grotten. Blikvoer opwarmen op van die spiritusblokjes. Kan je je het voorstellen? Zo’n veertig á vijftig man vuurtje stoken in een mergelgrot. Na vier dagen oefening was het poetsen, opruimen en naar huis. Weekend.

Of de diensttijd een mooie tijd was, weet ik niet. Ik was blij dat ik er in mocht en ik was blij dat ik er uit mocht. Van het lijstje twaalf ambachten en dertien ongelukken was mijn diensttijd, naast de universiteit in Leiden en het varen als de mast, nummer drie op rij. Het werd hoog tijd om een iets serieuzere invulling aan mijn leven te gaan geven. Dat had ik mij in elk geval wel voorgenomen. Het was 1986 toen ik afzwaaide.

En nog steeds veranderden de weekeinden niet. Hout, staal en stenen gingen door mijn handen. Weliswaar mondjesmaat, maar stapje voor stapje groeide Woodstock.

 

Terug naar overzicht