Woodstock

17 september 2017

Het voltrok zich allemaal in de tweede helft van de jaren tachtig. Mijn bouwproject. Vrienden van mij zeiden dat het een duur schuurtje zou worden. Al mijn centjes gingen er in, maar er was bij mijn maten maar weinig vertrouwen dat het ooit een woning zou worden.

Op zich was dat van hen geen rare gedachte. Zonder enige deskundigheid en ervaring ging ik een huis bouwen. En dat ging niet automatisch. Dertig jaar geleden draaiden de ambtelijke molens niet veel sneller dan nu. En het kastje en de muur waren er ook al.

Mijn moeder bezat een huisje aan de Steinstraat dat zij verhuurde aan de plaatselijke kruidenier Bodbijl. Hij sloeg er zijn niet-bederfelijke waren op. In mijn kinderjaren kochten we Belga kauwgum bij Engel. Zo luidde zijn voornaam. Twee stuks voor een stuiver op zaterdagmorgen. Als je uitgekauwgumd was, bewaarde je het dotje gewoon om nog een keer te kauwgummen. Aan de andere kant van de Irenestraat had je de melkboer op het hoekje.

Voordat het huisje opslagruimte werd, woonde Willem daar. Wullem – zoals hij werd genoemd – leefde daar alleen. Als kind waren we bang voor Wullem. Zijn mond was misvormd. Kwam door een operatie. Het woord kanker durfde men toen nog niet uit te spreken. Wullem pruimde tabak. U kunt het zich wel voorstellen hoe dat eruit zag. Kleding kocht en waste hij volgens mij ook niet, maar dat kan ik mis hebben. We dachten het, dus was het zo.

Naast het huisje van mijn moeder had de gemeente eenzelfde huisje in bezit. Een palingvisser bewaarde daar netten en andere zaken. Daarvóór woonde daar ‘bure Janet’. Volgens mij kwam ze uit België. Een echte moeke met een luide schelle viswijvenstem. Haar hele achtertuin stond vol met zwart geteerde kotten en knippen.

Tijdens mijn onvoltooide studie in Leiden fantaseerde ik over het bouwen van een huis. Zondagmorgen was dat regelmatig een onderwerp tijdens het koffiedrinken na de kerkdienst. Toen ik mijn moeder vroeg om haar huisje te kopen vond ze dat goed. Gelijkertijd adviseerde ze mij om ook het huisje van de gemeente te kopen.

In het gemeentehuis hadden ze net zoveel vertrouwen in mijn bouwcapaciteiten als mijn vrienden dat hadden. Het waren krotwoningen en die stonden op de nominatie om te worden gesloopt. Dat was althans de boodschap aan mij. Met de kennis van nu twijfel ik daar sterk aan. Ook toen had de gemeente geen geld om krotten op te kopen en te slopen. Hoe dan ook, ik mocht de woning aankopen onder voorwaarde dat ik binnen een half jaar met de bouw zou beginnen. Met een overdosis jeugdige illusies kocht ik met hulp van pa en ma beiden pandjes aan.

Een tekening – op kalkpapier – was snel gemaakt: ik diende de bouwaanvraag in. Prompt kreeg ik nul op rekest. Ik mocht niet bouwen, omdat de scheepswerf van Duivendijk voor mijn neus lag. Teveel lawaai. Ik mocht verder niet bouwen omdat de kamertjes boven twintig centimeter te laag waren en de goot tien centimeter te hoog. “En ik moet voor jullie binnen een half jaar gaan bouwen”, zo probeerde ik in mijn eerste poging. Vele pogingen zouden volgen.

Inmiddels was ik – na het afbreken van mijn studie – bij mijn vader aan boord gekomen. Op vrijdagmorgen ging ik bijna wekelijks – de vele pogingen – naar het gemeentehuis om mijn project verder te krijgen. Het lawaai bestreed ik door extra dikke muren te beloven. De kamertjes maakte ik op papier twintig centimeter hoger, waarmee dat probleem ook was opgelost. Dat de goot vervolgens dertig centimeter te hoog was, dat nam ik voor lief. Ja, zeg nu zelf, tien centimeter te hoog of dertig. Dat zie je toch niet op zo’n hoogte en zo’n huis?

Het blijven pogen oogstte resultaat. Ik kreeg mijn vergunning. Twee afkortingen kwamen er veelvuldig in voor. Ntb. Nader te bepalen. Nvt. Niet van toepassing. Behalve het tekenwerk had ik niet nagedacht over soorten stenen, dakpannen of kozijnen. Dat zou ik allemaal nog wel zien. Ik kwam er mee weg. Op het gemeentehuis moeten ze gedacht hebben dat dit allemaal beter zou zijn dan een verdere verkrotting van de Steinstraat. Of ze waren mijn gezeur gewoon beu.

Over de bouw zou ik wel een boek kunnen schrijven. Over die keer dat ik bijna een viskist met stenen op mijn harses kreeg toen een katrol van mijn zelfgemaakte lift het begaf. Over die keer dat ik in mijn eentje een ijzeren bint als overspanning tussen twee muren in moest wurmen. Over de wc van Wullem die er uit moest worden gesloopt. Dat laatste is wellicht wel een leuk verhaaltje. Misschien wel het eerste hoofdstukje van iets meer. Wie weet.

Op een mooie vrijdagmiddag kwam een van mijn maten langs. In de tuin lagen de restanten van de sanitaire voorzieningen van de oud bewoner – Wullem voor de duidelijkheid. “Wat moet je daarmee?” Ik zei het niet te weten. We lieten de resten voor wat ze waren en namen een biertje. Op een gegeven moment kreeg ik het idee om een wc bij de duikplaats in Dreischor te plaatsen. Het gemaal was toen DE place to be voor onderwater Nederland. Voor het gemaal staat een grote dukdalf en daar moest toch eigenlijk wel een wc komen. Onderwater natuurlijk, want we hebben het hier wel over duikers.

Zo gezegd, zo gedaan. De volgende vrijdag liepen we in ons rubberen vel over de dijk bij het gemaal. De een met stortbak en leiding. De ander met pot en bril. Toen we het water ingingen, werden we gadegeslagen door een koppel zuiderburen die net boven kwamen. Wat we gingen doen. Na het aanhoren van het antwoord draaiden ze om en hielpen mee om het sanitair te installeren.

Pot en stortbak hebben jarenlang op een meter of zes diep bij het gemaal gestaan. De heren hoefden de bril niet op te tillen. De houten bril stond dankzij Archimedes’ wetten fier overeind. Dat gold ook voor de houten klos aan het kettinkje van de stortbak. De foto’s van het onderwater-sanitair hebben jaren lang bij Frans Kok in zijn duikwinkeltje gehangen.

In zijn zaak aan de ring in Dreischor kwamen we regelmatig voor een bakje espresso. Expresso – zo wij deze lekkere koffie noemden – kenden we toen nog niet op ons eiland. Dertig jaar geleden kenden we wel meer dingen nog niet.

Vorige week stond ik ’s avonds na vele jaren weer bij het gemaal van Dreister. Deze keer ook weer tussen duikers. Nu niet om onderwater te gaan maar om naar een karreveld te kijken. Zeg maar een bouwstraat voor de zeedijk. Inmiddels historisch erfgoed. Herinneringen van weleer gevat in het landschap. Net zoals het gemaal herinnert aan het tweede leven van weggesloopt sanitair.

Heel je leven lang worden er dingen weggesloopt. Soms gaan ze gewoon weg en soms krijgen ze een tweede leven. Of Engel, bure Janet, Wullem en ook Frans een tweede leven hebben gekregen weet ik niet. Veel mensen geloven van wel. Het moet dan in ieder geval een soort van niet-alledaags leven zijn. In een nieuwe wereld. Iets wat je jezelf niet kunt voorstellen. Net zoals je je het niet kunt voorstellen dat een oude plee een tweede leven onder water krijgt. Een nieuw leven in een nieuwe wereld.

Het voltrok zich dus allemaal in de tweede helft van de jaren tachtig. Met toen nog dertig jaar nieuw leven te gaan tot aan het heden van nu. De geboorte van Woodstock.

 

Terug naar overzicht